Korte verhalen

Zet ook uw verhalen op 1001KorteVerhalen.nl

Heeft u nog geen account? Meld u gratis aan!

Print dit gedicht

Vooruit

De bladeren rinkelen van het ijs waarmee ze omsloten zijn. Het is een lachend protest, gekieteld door de wind. Een V-formatie van ganzen trekt over de bomen. Het gakken echoot door de krochten van het bos. Smeekbedes om genade.
De man kijkt naar boven en ziet hoe zijn adem in kleine wolken condenseert wanneer hij uitademt. Hij voelt hoe zijn kuitspieren verzuren - een trekkende pijn verspreidt zich over zijn onderbenen. Hij wacht tot het geluid van de ganzen is weggestorven en loopt verder. De sneeuw kraakt onder zijn schoenen. Hij moet rustiger lopen en kan het zich niet veroorloven om nog meer te rennen. Hulp is onderweg.
De bomen laten blauwgrijze schaduwen vallen op de besneeuwde grond. De bovenste laag sneeuw is dun en onbetrouwbaar. Het is niet te zien waar het ondiep en waar het diep is - bevroren ijs dat niet laat verdrinken, maar waarvan ledematen bevroren kunnen raken. De man blijft zo goed als mogelijk op het pad tussen de bomen lopen, hopend dat het de juiste weg is.
Alles wat hij kent ligt ver achter hem. Nu is alles wit. Het ijs had het noorden van het land in één nacht bedekt. De wereld is een lege bladzijde en nu kan hij alleen nog maar rechtdoor lopen om de lijnen te zetten waarop geschreven kan worden.
Twee eksters, die op een tak zitten dat over het pad hangt, houden hem in de gaten. Nu de avond nadert vallen hun veren samen met de tak van de boom. Ze wachten tot hij iets laat vallen. Het enige dat glinstert zijn de reflectoren die op zijn rugtas zijn bevestigd. Ze kraaien naar elkaar - het klinkt als enorme knikkers die tegen elkaar worden geworpen. In de rugtas zit niets van waarde voor hen. Een mes. Het laatste beetje eten. Identificatiepapieren. Een foto van zijn familie.
Om hem heen dragen de bomen onverschillig de sneeuw op zich. Alles wat nu boven de grond ligt is dood. Beren liggen in hun eigen diepe slaap en maken óf lange nachten óf lange dagen.
Hij weet dat hij de tocht moet doorzetten omdat anders zijn benen stram worden en hij niet meer goed kan lopen. Rusten kan later. Moet later. Hij strekt zijn benen zonder na te denken of hij dat wel goed doet. Hij buigt door zijn knieën en gaat toch op zijn hurken zitten.
Kleinere dieren zijn op ooghoogte. Maar tussen het wit van de sneeuw en het vuile groen van het bos ziet hij niets bewegen. Echte wapens heeft hij niet. Vuur maken zit er ook niet. In de haast was hij een aansteker vergeten mee te nemen, maar er was hem aangeraden geen vuur te maken, om slechts te wachten. Uit zijn jaszak haalt hij een stuk brood. Kauwen doet hij langzaam.
Het bos is klein, hadden ze gezegd. Het komt uit aan de zuidkant dat uitloopt op een veld. Daar zou de helikopter moeten komen.
Voor zich ziet hij enkel de bomen waar dauw is vastgevroren aan de stammen en takken. Paleizen van glas voor de vogels die zijn overgebleven. Wanneer een takje breekt onder het gewicht van een muis of een vogel, klinkt het als een waarschuwingsschot.
Eerder op de dag had hij ook een pauze genomen en geluisterd en kon hij alleen het suizen van zijn bloed horen, het gebonk van zijn hart. Met zijn ogen dicht speurde hij het bos af op zoek naar andere geluiden die achter de onzichtbare wand van stilte waren verborgen. Hij hoorde niemand.
Eén keer hoorde hij een hoog geschreeuw. Het was schel en kort. Het had een ekster kunnen zijn, dacht hij, toen het geluid niet werd herhaald. De hoop op andere overlevenden had hij niet opgegeven. Hij hoorde zijn eigen voetstappen en dacht dat er iemand achter hem liep, maar het enige wat hij zag waren de bomen die het pad sloten naarmate hij verder was getrokken.
Er is maar één weg, hadden ze gezegd. Volg het pad.
De eksters, die boven hem zaten, zijn weg. Hij staat op en strekt opnieuw zijn benen. Wind dringt door het bos en grijpt de takken om ze te schudden. De zon is aan het verdwijnen achter grijze wolken. Veel tijd heeft hij niet meer. Er is nog maar een uur te gaan voordat het donker wordt.
Als de wind begint te huilen, wordt het opnieuw storm.
Hij hoort het kraken van de sneeuw niet meer wanneer hij begint te lopen. De kou is door zijn schoenen getrokken en zijn tenen voelt hij niet meer. Harde klompjes die zich tegen de gladde zolen drukken. Elke bevroren boomwortel en steen dreunt door de zool heen. Hij probeert tijdens het lopen zijn tenen te spreiden, hoewel dat meer is om zichzelf ervan te verzekeren dat ze niet bevroren zijn.
Maar hij weet - de bomen zijn lang en slank en dragen dit nieuwe seizoen met de kennis die in de aarde ligt verborgen - het lichaam bevriest niet snel. Hij draagt drie lagen kleding en zijn lichaamstemperatuur zal niet gemakkelijk onder de 36,5 graden komen te liggen.
Ondanks deze nieuwe tijd, zal de aarde gewoon blijven bestaan.
Het lichaam houdt de geest wakker, de geest laat het lichaam lopen.
Nee, de kou zal niet mijn dood worden, denkt de man.
De ondergaande zon geeft een oranje gloed af die zijn weg door de bomen vindt het bos in. De sneeuw op de takken gloeit geel op.
Het open veld moet vlakbij zijn.
De man recht zijn rug en kijkt om zich heen, steekt zijn handen met handschoenen en al in zijn jaszakken. Het pad neemt een bocht naar rechts. Door de bomen kan hij het veld zien liggen. Het ligt lager dan het bos - zo'n honderd meter schat hij.
Vanuit deze richting kan hij voelen hoe sterk de wind is geworden. Het slaat op zijn gezicht. De boomtoppen botsen tegen elkaar en meppen het sneeuw naar beneden. In de verte kraakt er iets in het bos.
Hier is hij nooit geweest. Dit stuk wereld was niets meer dan bos voor hem en de anderen. Er is een pad gemaakt, maar dat was bedoeld voor toeristen, die uiteindelijk nooit kwamen. Het was niet hun land.
Het pad is hier ook glad en hij neemt voorzichtige stappen om te voorkomen dat hij uitglijdt en naar beneden valt. Het is niet goed te zien waar stenen liggen.
Het pad loopt uit op een driehoekig veld. Het is moeilijk te zien of het bos ophoudt hier of dat het gaat om een open plek in het bos. Het is donker geworden, de hemel is koningsblauw, maar wordt donkerder en donkerder. Het besneeuwde veld reflecteert het licht dat er is, maar het is niet veel.
Het veld is zo groot als een half voetbal veld. Het is nog maar de vraag of een helikopter kan landen hier. De wind giert door het bos het veld op. Sneeuw valt nu overal.
Hij loopt langs de bosrand op zoek naar een goede plek om beschut te kunnen zitten. Overal liggen stenen, maar het is niet goed te zien wat een geschikte plek is. Hij kan de kou ook in zijn liezen voelen en tegen zijn borst. Zijn tepels lijken te schuren tegen zijn shirt.
Een bel rinkelt. Het is een kort, maar trefzeker gebaar als een lichtkogel.
De bomen houden al het licht tegen. Het wit van de sneeuw is tot een ondoorzichtig donkergrijs verworden. Met een zwaai haalt hij de tas van zijn rug en graait in één van de zijzakken. Met knip springt het licht van een zaklamp aan. Een dikke, heldere bundel van licht schijnt het bos in. Hij zwaait ermee van links naar rechts. Voorzichtig, zodat hij kan zien wat er voor hem ligt. Hij houdt het na een paar seconden op één plek gericht.
Het schaap kijkt hem onderzoekend aan. De vacht is bedekt met vlokken sneeuw en de kop lijkt te verdwijnen in de vacht. Ogen als sleutelgaten staren naar hem, maar het dier onderneemt verder niets. Pas wanneer hij het licht verplaatst en de andere schapen ziet, loopt het weg van hem. Een belletje wat rinkelt, zit aan de nek vastgebonden. Wanneer de andere schapen weglopen klinkt er een kleine golf van trillende klokjes. In het licht ziet hij hoe ze lopen naar een deur. Hij loopt met de schapen mee en komt uit bij een schuur.
Het is een bouwval. Hij steekt zijn hoofd door de deuropening. In het dak zit een gat, maar het dak zelf is bedekt met sneeuw, waardoor alle gaten zijn gedicht. Binnen lijkt het minder koud omdat de wind hier geen vrij spel heeft.
Het sneeuwt nu ook uit de hemel. Een helikopter zal vanavond niet meer komen.
De schapen zijn koud, maar voelen zacht aan wanneer hij door de kudde loopt. Ze geven zonder morren mee en laten hem plek nemen in de schuur.
Het ruikt naar urine, uitwerpselen en aarde. Het is pikdonker. De man laat zich zakken in de hoek van de schuur. De aanwezige schapen liggen dicht op elkaar en geven hun warmte aan elkaar door. Ze bewegen niet, ze slaan niet op de vlucht. Ik ben een minder kwaad, weet de man.
Hij zou wakker moeten blijven voor als er hulp komt, maar de wind blijft aantrekken, omsluit de schuur.
Iemand moet de schapen komen redden, denkt hij. Wie zorgt er voor de schapen? Nog voordat het blaten begint, sluit de man zijn ogen en laat de slaap hem meenemen.
Maar de slaap is een donker gat waar alles in verdwijnt. Het kolkt en trekt en door de wanden van de slaapt gluurt het licht van buiten. Nog steeds kan de man zijn voetstappen voelen die hij deze dag heeft gemaakt. De schuur draait in zijn slaap en hij ziet zijn familie, zijn vrienden, buren en zelfs de mensen met wie hij het minder goed kon vinden. Ze staan achter een gordijn van sneeuw, stil en wachtend.
Er klinkt geraas. De schapen zijn opgestaan en dringen elkaar weg. Hij kijkt het gezicht aan van een schaap. Het dier kijkt waakzaam terug, want schapen hebben de kracht om mensen in hun blik vast te houden. De man kan zich niet bewegen. Het beweegt zijn bek malend alsof het iets wil zeggen. Ja, het opent zijn bek. Geluid is te horen, geen woorden. Het is niet jouw schuld, wil het schaap zeggen. (De man voelt deze woorden.) Maar wij moeten nu ook voor onszelf zorgen. De sneeuw waait het beeld weg.
Vriezende lucht wordt door de spleten van de schuur geperst. Het hout kraakt.
De schapen zingen! Ze verdringen elkaar op een trap die met een flauw boog de hemel in steekt. Wanneer het vriest, zingen ze, wanneer het vriest -
De man weet ook dit. (Het is een herinnering, die naar het oppervlakte wordt geboord nu de man slecht slaapt.) Wanneer het vriest en je kunt jezelf geen bescherming bieden dan kun je de buik van een groot rund opensnijden en jezelf begraven tussen de ingewanden. Het duurt lang voordat het hele lichaam is afgekoeld. De darmen, de magen, het hart - het zal allemaal kloppen en levend aanvoelen. Zijn familie zit in een koe verborgen. Schapen zijn te klein, maar ze hadden schapen gehouden tot het einde.
De schapen brullen. Ze dansen de schuur uit. Ongeduldig, waggelend. Het sneeuwen is opgehouden. Ze willen helemaal niet dood. (De man weet dat dit zijn eigen gedachten zijn en dat de droom ten einde komt.) Het schaap dat hem in de gaten hield opent zijn mond en toont de scherpe witte tanden. Het schaap blaf en stort zich dan onder de man. De tanden doorboren zich in het vlees van zijn onderbeen.
De man schrikt wakker en veert op.
Het eerste wat hij ziet is het dode lichaam van een schaap. De vacht is vlekkerig rood van het bloed. Het dier ligt met zijn snuit naar de opening van de schuur toe. Buiten is de hemel blauw en de wind is flink afgenomen. De stinkende adem van een wolf die op zijn borst staat komt hem direct tegemoet en eist alle aandacht op.
Hij grijpt naar zijn tas en haalt een mes uit de voorste zak. Wild slaat hij ermee om zich heen. De wolf gromt. Het ratelende keelgeluid klinkt diep en hij kan het voelen trillen in zijn gezicht, waardoor hij verstart. De wolf kijkt hem aan en is klaar om te bijten, maar doet een paar stappen naar achteren en verdwijnt naar buiten. De man wacht tot hij het geplof van de poten in de sneeuw niet meer kan horen.
De man wil opstaan, maar kan zijn benen niet bewegen. Zonder de schapen is het kouder. Een ijle scheut pijn strijkt door zijn been. Hij staat op door zich vast te houden aan de balken van de schuur. Hij vloekt zachtjes, maar probeert normaal adem te halen. Rechtopstaand valt de pijn mee en de stijfheid is met name te danken aan het slapen op een harde grond. Met zijn vingers bevoelt hij de vond aan zijn onderbeen, maar de wond is ondiep en zijn kuiten zijn gelukkig met rust gelaten. Voorzichtig loopt hij de schuur uit.
Het veld is leeg. Een bloederig spoor loopt het bos in.
De man loopt terug de schuur in en pakt zijn tas op, gooit het met een zwaai op zijn rug.
Midden in het veld laat hij zich vallen. Uit de tas haalt hij een oud stuk brood en breekt een stuk af. Kauwend laat hij zich achterover vallen in de sneeuw.
In de hoeken van zijn blikveld ziet hij de toppen van bomen wiegen in de wind. Ze zouden nu snel komen.
De vogelgeluiden herkent hij niet. Hij heeft ze ooit moeten leren, maar hij was er niet goed in. Ze roepen naar elkaar, blij dat de storm is opgehouden. Hen maakt het niet uit dat families uit elkaar zijn gehaald. Vogels, heeft hij onthouden uit de lessen op school, bestaan langer dan mensen zoals de meeste dieren langer bestaan dan de mensen. Ze vliegen het ongeluk vooruit.
Een zwerm spreeuwen vliegt op. De man concentreert zich op het geluid, hopend op het gezwaai van de wieken van een helikopter dat van achter het gekwetter zal verschijnen. Maar het blijft stil en de man wacht verder af.

Toevoegen aan favorieten

Ingezonden door

Dirk. S. Keulen

Geplaatst op

11-07-2016

Over dit verhaal

kort verhaal

Geef uw waardering

Er is 1 keer gestemd.

Social Media

Tags

Bos Ijs Schapen Sneeuw Wachten Wolf

Reacties op ‘Vooruit’

Er zijn nog geen reacties geplaatst bij dit verhaal, een reactie plaatsen kan hieronder!

Reageren

We gebruiken uw gegevens alleen om te reageren op uw bericht. Meer info leest u in onze Privacy & Cookie Policy.

Wilt u direct kunnen reageren zonder elke keer naam en e-mailadres in te voeren? Meld u hier aan voor een account!

Laatste nieuwsberichten

  • 17-10 - 1001KorteVerhalen.nl online!

    In navolging van 1001Gedichten.nl hebben we een nieuwe website opgezet speciaal voor Korte Verhalen. Meld je aan en plaats nu je verhalen.

Bekijk oudere nieuwsberichten »